• wUrck

Natuurorganisaties tegen aanleg ecoducten

LEERSUM De Vereniging voor Dorp en Natuur Amerongen-Leersum (D&N) en de Federatie Groene Heuvelrug (FGH) zijn tegen de aanleg van ecoducten over de N226 en de N227. Zij zijn van mening dat een verlaging van de maximumsnelheid naar 60 kilometer per uur het aantal aanrijdingen met wild sterk zal verlagen, en dat de ecoducten met de bijbehorende aantasting van de omringende natuur onnodig zijn.

Edith Hazelzet

Van natuurorganisaties zou men verwachten dat deze voorstander zijn van de aanleg van ecoducten. Hierdoor kan groot wild wegen immers veilig oversteken en vermindert het aantal aanrijdingen met dieren. D&N en FGH zijn blij met de ecoducten over de snelweg A12, maar vragen zich af of ecoducten over provinciale wegen altijd zinvol zijn. Uit een rapport door Terra Salica uit 2011, geschreven in opdracht van de provincie en de Faunabeheereenheid Utrecht, blijkt het aantal aanrijdingen met reeën toe te nemen. In het onderzoek werden alle incidenten met reeën op Utrechtse provinciale wegen in kaart gebracht en zogenaamde hotspots gelokaliseerd: plekken waar de meeste aanrijdingen plaatsvinden. In de aanbevolen maatregelen om het aantal ongelukken te verminderen is, wordt wat betreft N226 en de N227 nergens de aanleg van ecoducten voorgesteld. Toch is de provincie van plan over deze wegen tussen Leersum en Maarsbergen en Doorn en Maarn, ecoducten te bouwen. Hiermee is een bedrag van 8 à 10 miljoen euro gemoeid.

TWIJFEL Maarten Poolman, bestuurslid van D&N en FGH, vertelt dat de verenigingen steeds nieuwe feiten op het spoor kwamen, die hen deden twijfelen of ecoducten in deze buitengebieden van de gemeente wel de goede oplossing waren. ,,Zo hoorden we, naast meerdere onderzoeken waarin geen ecoducten werden aanbevolen, dat de provincie proefondervindelijk heeft vastgesteld dat er bij een snelheidsvermindering van 80 kilometer per uur naar 60 kilometer per uur er 75 procent minder aanrijdingen plaatsvinden."

Uit een recent proefschrift van Mirjam de Vries van de Universiteit Utrecht, blijkt dat bij 50 kilometer per uur en een serie waarschuwingsmaatregelen voor ree en mens, het aantal aanrijdingen drastisch naar beneden gaat. De Vries ontwierp een stappenplan voor beheerders om de meest effectieve maatregel voor een specifieke situatie te kiezen en zo het aantal wildongelukken te verminderen. Poolman: ,,Wij zijn dus van mening dat er andere effectieve maatregelen bestaan die minder kosten en minder verstorend zijn voor mens en dier. De aanleg van de ecoducten zou een aanslag zijn op de biotoop in de directe omgeving, naast het plaatsen van geleidehekken langs beide wegen."

Ook het argument van de Ecologische Hoofdstructuur legt wat hem betreft geen gewicht meer in de schaal: ,,Onder het bewind van staatssecretaris Bleeker is er ernstig gesneden in de EHS. De verbinding tussen Utrecht en Flevoland is vervallen, dus die kant op kunnen de reeën niet trekken. Iemand heeft ooit vastgesteld dat er in onze provincie ruimte is voor 2500 reeën. Hiervan worden er jaarlijks 250 doodgereden, en nog eens 250 afgeschoten. Waarom zou je ecoducten voor reeën bouwen als je ze later afschiet?" vraagt Poolman zich af. Van andere diersoorten zoals de boommarter wordt betwijfeld of zij niet liever gebruik maken van boomkronen voor het oversteken, dan van een ecoduct. De FGH pleit al jaren voor een verlaging van de maximumsnelheid in het Nationaal Park naar 60 kilometer per uur. ,,Dit scheelt de automobilist op beide wegen minder dan een minuut, en zou ook minder persoonlijke verkeersongelukken met zich mee brengen."

Bronnen: Onderzoeksrapport 'Pas op: overstekend wild - aanrijdingen met reeën in Utrecht' van Faunabeheer Utrecht en Provincie Utrecht, 2011, en Mirjam de Vries, 'Road kills of roe deer in the Netherlands - Assessment of impacts and mitigation measures, 2015 UU.